Belgische Vereniging van Artsensyndicaten

Seksueel risicogedrag en bloeddonatie. Deel I: Bloeddonatie door MSM

Advies nr. 9291

Dit advies beoordeelt de huidige medische, wetenschappelijke en epidemiologische kennis over de gevolgen van seksueel risicogedrag voor bloeddonatie en controleert de betrouwbaarheid en relevantie van de gebruikte gegevens. Dit rapport verduidelijkt volgens het proportionaliteitsbeginsel in welke gevallen personen die mogelijk een verhoogd risico van overdraagbare infecties vertonen, niet in aanmerking komen om bloed te geven. Vanuit dat perspectief onderzoekt het de huidige kennis met betrekking tot de microbiologie van de overdraagbare infecties, de vorderingen inzake voorkoming of opsporing van dergelijke infecties bij het inzamelen van bloed en het bereiden van bloedcomponenten en de naleving van de regels om bloed te mogen geven door de huidige bloeddonoren. Voorts wordt het residuele risico van HIV-overdracht (humaan immunodeficiëntievirus) door transfusie in België ingeschat. Het advies bespreekt ook het evenwicht tussen het voorzorgsbeginsel en de op risicobeperking (zo klein als redelijkerwijze mogelijk is) gerichte besluitvorming waarbij rekening wordt gehouden met zowel de ontvangers van bloedtransfusies als de donoren. Het omvat beoordelingselementen en begrippen die betrekking hebben op de wetgeving (fundamentele rechten en principes met betrekking tot de bescherming van de gezondheid) en de beroepspraktijk (verantwoordelijkheid van donoren en professionals van de transfusieketen). Dit rapport besluit dat levenslange uitsluiting verantwoord wordt door de overdracht van ongeneeslijke ziekten of het doorgedreven voorzorgbeginsel waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met bekende pathologieën (HIV enz.), maar ook met eventuele toekomstige ziekten. Wat seksueel risicogedrag betreft, impliceert het besmettingsrisico echter niet dat de bloeddonor een blijvend en onbeperkt risico vertoont, zelfs wanneer het vastgestelde risicogedrag zich niet meer voordoet en de screeningtests negatief zijn, rekening houdend met de mogelijke periode waarin een besmetting nog niet opspoorbaar is. De HGR heeft al een dergelijk wetenschappelijk onderzoekskader toegepast op andere bloeddonoren die blijvend uitgesloten waren (bijvoorbeeld hemochromatosepatiënten, patiënten die mogelijk de ziekte van Creutzfeldt-Jakob hebben opgelopen). 

 

In dit eerste deel over seksueel risicogedrag wordt de kwestie van de bloeddonatie door mannen die seksuele betrekkingen hebben gehad met mannen (MSM), zeer uitgebreid geanalyseerd. Alle onderzochte wetenschappelijke en epidemiologische studies bevestigen dat MSM veel meer risico lopen om aan seksuele gedragingen toe te schrijven besmettelijke ziekten te verspreiden dan de rest van de bevolking. Het probleem van de niet-naleving tijdens het predonatiegesprek leidt bijgevolg tot een groter gezondheidsrisico voor deze donoren met hoog besmettingsrisico, zelfs als een gevoelige genoomscreening werd uitgevoerd. Op basis van wetenschappelijke argumenten en de regelgevende context reikt dit rapport de beslissers een aantal minder strenge procedés aan dan de permanente uitsluiting van MSM, die tegelijk toch een maximale veiligheid waarborgen voor de ontvanger van een bloeddonatie. Die minder stringente benaderingswijzen houden rekening met het proportionaliteitsbeginsel, d.w.z. de afstemming tussen de aangewende middelen en de eisen inzake de bescherming van de volksgezondheid. Dit wetenschappelijke advies pleit voor een betere responsabilisering van personen die uit empathie en onbaatzuchtigheid bloed willen geven.

 

Klik hier om het volledige advies van de Hoge Gezondheidsraad te raadplegen

Publicatie datum: 24/11/2016

 

KCE